Opgelet voor steenslag

De hele nacht hadden de wolken hun sluizen volledig open gezet boven de gezinscamping van Campo Quijano. Deze eerste proef had de tent alvast met glans doorstaan. Toen de fiets in beweging werd gebracht was de zon wel reeds opnieuw van de partij. Maar de wegen drogen natuurlijk zo snel niet op. In Rosario de Lerma moest ik tot vijfmaal toe de weg vragen, tot nog toe het record, naar het deel onverhard dat zou moeten uitmonden op de ruta 68. Het plan was om in La Vina de dag af te sluiten. Maar omdat ik daar reeds was om drie uur in de namiddag en het redelijk luidruchtig was vanwege een of andere ceremoniele kerkdienst besloot ik verder te rijden.

Bij het binnenrijden van de Quebrada de Las Conchas, een nauwe kloof met steile bergflanken, kwam ik in een stortvloed terecht. Tot op de onderste keldingslaag nat dacht ik te blijven doorfietsen tot Cafayate. Tussen La Vina en het tachtig kilometer verder gelegen Cafayate leefden er immers heel weinig mensen en was er dus weinig kans op een deugddoende hostel. Maar al snel bleek dat tot ginds geraken een riskante opdracht zou worden. Laverend tussen brokken steen op de weg kwam ik vanuit tegenovergestelde richting een automobilist tegen die ‘nee’ met zijn vinger schudde. Dit kon natuurlijk veel betekenen. En dus werd er nog enkele kilometers verder gereden om de situatie beter te kunnen inschatten. Regelmatig kwam ik nu op het wegdek heuse rotsblokken van om en bij de halve meter in diameter tegen. Twee reizende duitse motorijders staken me voorbij. Een kwartier later kwamen ze ook terug op hun passen. Het was nu wel duidelijk. Modderstroom of zware steenslag moest iets verder de weg totaal onbegaanbaar gemaakt hebben. Uiteindelijk werd er besloten tien kilometer terug te rijden, niet echt een van mijn favoriete woordcombinaties, en in het minuscuul dorpje Alemania mijn tent op te zetten naast het uit functie gestelde treinstation. Iets verder zaten in een boom prachtig groene ara’s van verstoppertje te spelen. Die nacht liepen talloze honden en een stier mijn tent te inspecteren.

De dag erop was reeds een hele hoop steenslag verwijderd. De rit langs de Valle de Lerma leidde langs prachtige rotsformaties. Dit was opnieuw een totaal ander soort landschap dan wat ik de voorbije dagen allemaal reeds had mogen bewonderen. Onderweg bleef ik een kwartier het spel van een grote groep papegaaien gadeslaan. Ze hadden hun thuis hier ingekapseld in de rotswand. Toeristenbussen reden deze plek klaarblijkelijk ongeintereseerd voorbij. Terwijl dit voor mij persoonlijk het mooiste schouwspel van de hele Quebrada de Las Conchas was. In Cafayate was het tijd tot verpozing na zeven dagen onafgebroken op het fietszadel te hebben doorgebracht. Een lokaal kwaliteitswijntje mocht hierbij natuurlijk niet ontbreken.

Published in: on February 14, 2011 at 9:26 pm  Comments (2)  

De levende ansichtkaart

Die nacht had het verschrikkelijk hard geonweerd in san Antonio (3700m). Wat was ik tevreden dat een tentverblijf te midden de Puna was vermeden. Volledig aangesterkt vatte ik de tocht roichting Campo Quijana aan. Gedurende de eerste vijventwintig kilometer reden dezelfde nederlanders als de dag voordien me voorbij. Even later ston een colonne vrachtwagen en hun 4×4 stil. Het kon niet anders of iemand had zijn motorvoertuig vastgereden in de modderbrij.

Net op dat moment kruiste El Libertador het treinspoor van de Tren de Los Nubes. Dit leek me een veel beter alternatief en ik stuurde hem tussen de rails. Als er 1 zekerheid in het leven is dan is het wel dat de ondergrond waar treinsporen op liggen steeds goed verhard zijn en dusdanig iets hoger liggen dan de heel nabije omgeving. Het was lekker bollen. Af en toe bleken de rails wel overspoelt met een modderstroom. Dit gaf me de zekerheid dat treinverkeer op dit moment van het jaar niet echt te verwachten was. Tot driemaal toe ging er wel tijd verloren omdat de volledige ruimte tussen banden en spatborden, incluis het remsysteem, was bezet met een soort hardnekkige moddercement. Tien kilometer verder was de normale baan opnieuw begaanbaar en kruiste deze ook opnieuw het treinspoor. Een meevaller.

Er werd geklommen naar een hoogte van vierduizend meter. En toen verscheen voor mijn ogen het meest prachtige tafereel. Een peilrechte weg die naar een majesteus besneeuwde zesduizend meter hoge bergpiek wees. Dat er ondertussen op deze weg nog enkele wilde alpaca’s aan het rondhuppelen waren, maakte de levende ansichtkaart gewoonweg compleet. Verder was er aleen maar de stilte. Op zo’n plek had ik altijd al eens willen vertoeven. Alleen had ik het niet daar verwacht, en dat maakte de ervaring enkel nog maar mooier. Dat daarna een afdaling vals plat volgde met opnieuw die waanzinnige wind in het aangezicht kon me niets meer deren. Een droombeeld was heel even werkelijkheid geworden. De rest van die dag was louter bijzaak.

Published in: on February 14, 2011 at 8:41 pm  Leave a Comment  

1 met de Puna

In de ochtend bleek het waterpeil gelukkig stabiel gebleven. Met de fiets op de schouder over houten balken en over en weer geloop met fietstassen stond ik vertrekkensklaar voor de zware opdracht van die dag. Cuesta de Lipan, die meteen bij het buitenrijden van Humamarca begint, stond immers op het menu. Dit is een beklimming die maar liefst 37 kilometers in beslag zou nemen om een hoogte van 4100 meter te bereiken. Het wegdek was gelukkig mooi geasfalteerd. Na een extra fles water te hebben opgeslaan werd er met de veertig kilo bagage vol goede moed vertrokken. Na tien kilometer kwam het besef dat het bomenloze landschap wel eens voor oververhittingsproblemen zou kunnen zorgen. Er was immers geen wolk aan de hemel te bespeuren. Gelukkig bestaat hier zoiets als reuzencactussen die als smal verpozingsplekje in de schaduw kunnen dienen. Wanneer ik na de zoveelste haarspeltbocht El Libertador aan de vangrail aan de vangrail zet om een hapje te eten, komt een zoveelste motorijder naar boven gereden die joviaal zijn hand opsteekt. Ik wuif vriendelijk terug en plots begint het te dagen dat die reiziger me bekend voorkomt. Je houdt het niet voor mogelijk dat Arnaud nog steeds even ver gevorderd was dan ik op mijn eenvoudige tweewieler. Blijkbaar had hij gisteren na het bijtanken voor enkele uren vastgezeten. Een rivier had de weg blank gelegd. Diezelfde weg waar ik nota bene een uur voordien nog was langs gereden. Toen was er og geen vuiltje aan de lucht. Of hoe snel het weer hier kan verkeren. Zoals het aantal kilometers naar de top slonken zo slonk ook mijn watervoorraad. Van de vijf liter die ik mee had genomen bleef net voor de top nog maar een liter over.

Het uitzicht bovenop een berg moet je verdienen is een uitspraak die ik wel vaker gebruik. En het moet gezegd, het mogen aanschouwen van de besneeuwde pieken die boven groene hellingen uittornen waren de inspanning meer dan waard. En natuurlijk ook de afdaling die erop volgde naar Salinas Grandes. Een witte vlek werd alsmaar groter in het verder nog grotere niets. Maar net zoals in Salar de Uyuni waren de zouttegels niet te aanschouwen omdat iemand er een emmer water had over gegoten. Ergens in de Puna, zoals deze hoogvlakte wordt genoemd, zou ik mij een slaapplek zoeken. Mijn oog viel op de enige nederzetting die voor mij nog bereikbaar was: Tres Morros. De laatste vijf kilometer was de weg bezaait met steentjes en zandstroken. Meteen mocht ik mijn beste stuurkunsten nog eens bovenhalen. Eenmaal aangekomen was de verbazing groot. Het betrof hier niet meer dan enkele gebouwen. Schijnbaar helemaal verlaten. Plots verschenen er van achter een muurtje toch enkele kinderen. Ze vroegen meteen mijn volledige aandacht en wilden alles weten over de functies op mijn fiets en mijn gekke kledij. Ik speelde voetbal en helicoptertje met ze. Ondertussen moest er een beslissing genomen worden. Waar ging ik de nacht doorbrengen? Het kerkje was een optie. Even later kwam de vader des huizes thuis van het werk. Na mijn situatie in het beste spaans dat ik in me had uit de doeken te hebben gedaan, vond hij het in orde dat ik in de voorhal van het kerkje zou slapen. De wind en regen zouden er alvast geen vat op me hebben. Toen ik vermelde dat ik nog maar een halve liter water bij me had en ik vroeg of er hier ergens iets te bekomen was, wimpelde hij mijn suggestie vluchtig weg. Misschien hadden ze zelf niet veel ‘levensvocht’ meer en was delen in deze dorre omgeving geen optie.

Hoe het ook zij de volgende dag zou er serieus spaarzaam moeten worden omgegaan met het restje dat ik nog bezat. Ik besloot heel vroeg te vertrekken en zodanig twee uur zon op mijn lichaam te vermijden. Verder werd er een tempo gezocht waarbij het zweten, want dat was vochtverlies, tot het minimum werd beperkt. De zandstroken op weg naar San Antonio Los Cobres werdem alsmaar langer. Dit maakte dat ook het vastlopen van de fietswielen, met al die bagage zakt men er nog sneller in weg, alsmaar frequenter voorkwam. Daarna moest er telkens te voet een vaster oppervlak gezocht worden om de fiets opnieuw in beweging te krijgen. Ergens onderweg kwam ik een man op gezegende leeftijd tegen die blijkbaar in deze onmetelijke ruimte van struikjes, zand en zout op zijn eentje in een boerderijtje woonde. Hij wist me te vertellen dat er twintig kilometer verderop zowaar een restaurant te vinden was. Dit feit gaf me nieuwe moed. Ik vorderde gemiddeld acht kilometer in een uur. Twee uur konden mijn droge lippen wel nog zonder water. Tien kilometer verder waren enkele mannen druk in de weer om de wielen van een vrachtwagen uit het zand te graven. Ze zeiden dat dit etablissement zeker nog twintig kilometer verder was. Jamaar zo niet he. Ik werd ter plekke een beetje gek. Gelukkig was de vrachtwagenbestuurder zo vriendelijk wat van zijn water met me te delen. Hij grapte dat de Puna me mentaal sterker zou maken.

De middag was nu voorbij en de zon scheen overbiddelijk hard. De zandstroken werden hoe langer hoe meer een lange ononderbroken strook. Ik had fenomenale dorst. Dit kon zo niet langer. In mijn fietszak vond ik nog een blik maiskorrels. Het sap waarin ze zwommen dronk ik op als betrof het ee kwaliteitswijn. Uiteindelijk haalde ik toch ‘El Mojon’. Terwijl ik een hele liter cola naar binnen kapte maakte de uitbater acht empanadas, wat een van mijn favoriete maaltijden aan het worden is, klaar. Zelden heeft iets zo goed gesmaakt. Daarna vervolgde ik mijn weg voor de laatste vijvendertig kilometers. Hopend op beterschap van het wegdek. Maar dat werd het niet. Uiteindelijk begon ik gewoon met het stuur in de hand te stappen. Twee uur later en tien kilometer verder kwam er een godsgeschenk uit de hemel vallen: een 4X4 met Nederlanders. Deze zeer aardige mensen waren bereid mijn fiets in hun koffer te plaatsen en me te droppen in San Antonio. Daar kwam ik na wat rondvragen terecht een van de beste hostels tot op heden. Mede vanwege de zeer joviale eigenaar van El Cielo. Marcos begreep volledig wat ik die dag doorstaan had en kon me ook goed advies verschaffen ivm de mogelijke routes van de volgende dagen. Mijn besluit stond nu wel vast. Hoe graag ik ook de desolatie van Antofagasta de La Sierra wou proeven, deze route zou per fiets een te groot risico inhouden. Ik was voor 1 dag 1 geworden met de Puna. Daar kon ik gerust met leven.

Published in: on February 14, 2011 at 8:20 pm  Leave a Comment  

Op sleeptouw

De eerste dag van een nieuwe maand. De eerste dag in Argentinie. De eerste dag over perfect geasfalteerde wegen. Laat het duidelijk zijn. Ik had er zin in. De weg ging vandaag over de zuidelijke uitloper van de Altiplano. De hoogvlakte bedraagt hier 3500 meter. Het hing vlot. Na drie uur fietsen bedroeg de gemiddelde snelheid 24 km/h en stond ik reeds in Abra Pampa. De grootste stad die vandaag hoogstwaarschijnlijk mijn pad zou kruisen. veel beziens was er niet. De eerste leuke plek lag nog tachtig kilometer verder. Humahuaca is de naam. Ik Twijfelde. Zou ik gaan voor de 160 kilometer op een dag? Drie franse kerels zagen men fiets en spraken me aan. Ze kwamen met hun huurwagen vauit de richting waar ik naartoe wou en verzekerden me dat het enkel vlak of naar beneden ging. Okay, meer moest ik niet weten. En route!

Twintig kilometer verder begon ik me die beslissing reeds te beklagen. het was al vals plat naar boven wat de klok sloeg. Nu ja, was nog met te leven. Maar die stevige wind recht in het gezicht was er duidelijk te veel aan. De cijfers spreken voor zich. Er werd in die laatste twee uur iets meer dan twintig kilometer afgelegd. Aan die snelheid was ik pas middernacht op de bestemming. Een dorp lag ertussenin. En Tres Cruces mag je best een miezerig dorpje noemen. Mijn tentje hier ergens opzetten was een optie. maar met die wind en op die hoogte, ondertussen al 3900 meter, zou dit geen pretje worden. Aan de kant van de weg stond een andere reiziger op het punt met zijn bepakte moto te vertrekken. We raakten aan de praat en ik stak mijn frustratie op de wind niet onder de fiets. Toen deed Arnaud een prachtvoorstel. Als ik wou mocht ik me vastgrijpen aan zijn boliviaanse moto. En zo gebeurde. Maar om de paar minuten moest mijn hand, vanwege de spanning, grip lossen. Toen kwam hij met het plan om de spanrekker van zijn bagagekoffer te gebruiken als verbindingsstuk tussen de twee tweewielers. Dit ging onverhoopt vlot. Het enige nadeel was dat ik nu in geval van nood totaal niet meer kon loshaken. Enkele kilometers verder vielen plots enkele binnenbanden van zijn bagagekoffer. Het scheelde geen haar of ze waren tussen mijn fietswiel gedraaid. Na mijn noodkreet stopten we en liep ik om de achtergelaten banden. Deze leken echter nog beter te voldoen als sleeptouw dan de spanrekker, dat een gevaarlijk projectiel kon worden moest hij het begeven, en dus werd er verwisseld.

Uiteindelijk heeft Arnaud me vijvenvijftig kilometer meegetrokken. Het hele uur was ik honderd procent geconcentreerd op zijn achterwiel. Ik probeerde, ondanks de nog steeds hevige wind, de bochten gelijk aan te vatten en door te spelen met mijn remmen, maar niet te veel, de spanning op ‘het sleeptouw’ constant te houden. Zodaning werd nog voor valavond Humahuaca bereikt. En meteen had mijn bepakte fiets het werelduurrecord van Merckx verbroken. Ik stelde de barmhartige fransman voor op dit heugelijke feit ene te gaan drinken. Hij vertelde me over zijn problemen met zijn aangekochte moto bij de grensovergang met Argentinie. Daardoor was hij nu op achtervolgen van zijn twee reisgenoten, die reeds in Chili zaten, aangewezen. Eigenlijk moest hij diezelfde dag nog in Salta geraken. Maar uiteindelijk dropten we onze spullen in een hostal en hebben we ons vermengd in het feestgedruis. Blijkbaar ging net het grootste stadsfestival van het jaar , La Candelaria, van start.

De dag erop wou ik het iets kalmer aan doen. Toen ik opstond zat mijn kamergenoot al lang opnieuw op zijn moto. Ondanks dat het voortdurend naar benden bollen was moest ik nog steeds vanwege de hevige valleiwind stevig bijduwen. Het kleuernpallet van de Quebrada de Humahuaca waar ik doorreed maakte de rit wel heel aangenaam. Iets na de middag, net voor aankomst in Purmamarca, kwam Arnaud me vanuit tegenovergestelde richting tegemoet. Zijn officiele documenten waren nu in orde maar hij moest voordat hij naar de grens van Chili reed nog eens voltanken in Tilcara. Dat was immers de laatste mogelijkheid in honderden kilometers. We spraken af dat hij bij het langsrijden in Purmamarca nog eens zou stoppen om ‘een terraske te doen’. Dit is immers een heel gezellig dorpje gelegen aan de voet van de Cerro de los Siete Colores. Temidden deze prachte setting zette ik mijn tent op. Uiteindelijk heb ik de namiddag op mijn eentje met een goed boek doorgebracht.Arnaud had waarschijnlijk uit tijdsgebrek de tussenstop gelaten. Met het terugkeren naar de camping stond er me nog een verrassing te wachten. In de droge rivierbedding die ik daarstraks nog met de fiets had overgestoken vloeide nu een stevige stroom water. Pogingen door alle campingbewoners om de overkant te bereiken werden teniet gedaan. Het waterpeil zwelde ook alsmaar aan. Daar ging mijn broodnodige nachtrust. Na twee uur kwam er toch een slimmerik met een lange houten plank aanlopen. Zodanig werd een brug geslagen over de moeilijkste passage. daarna was het voor iedereen schoenen uit en door de kleverige moderbrij ploeteren. Hoe ik mijn fiets hier de dag erop ging overkrijgen waren zorgen voor dan. Hopelijk verleende de rivier me genade.

Published in: on February 8, 2011 at 7:02 pm  Leave a Comment  

Busintermezzo

De volgende dagen zou een aaneenschakeling van drie busritten worden. Vooral omdat de staat van de wegen alsmaar erbarmelijker, voornamelijk door de veelvuldige regenbuien, werd en ik graag wat sneller zou willen doorreizen naar de Argentijnse grens.

In Potosi bezochten we een zivermijn waar nog steeds mensen dag in dag uit hun kost broberen te verdienen door naar een beetje mineralen te graven. Deze kruiptocht in het donker heeft een heel sterke indruk op me achtergelaten. Het is echt onwaarschijnlijk dat deze mensen hier nog werken zoals ik verhalen heb gelezen van belgische steenkooldelvers honderd jaar geleden. Ondanks de hoogte, Potosi zou wel eens als hoogste stad van de wereld kunnen bestempeld worden, was het in de mijn was het echt warm. Reeds vierhonderd jaar vind men hier zilver. Jammer genoeg is het profijt, zoals in zovele andere gevallen ter wereld, nooit naar het land zelf gegaan. Vooral Spanje, en in bredere zin Europa, heeft zich in die eerste decennia, met de conquisadores als broodheren, enorm verrijkt. De inheemsen, indigenas genaamd, werden toenertijd de mijn ingestuurd om er nooit meer uit te komen. Er wordt gezegd dat er meer mensen in de mijn zijn gestorven dan tijdens de jodenvervolging gedurende de tweede wereldoorlog. En nog steeds is de levensverwachting van de mannen die er momenteel met bijtel en railkarretjes werken niet meer dan vijvenveertig. Dat mensen bereidt zijn dit soort werk te doen kan ik niet vatten. Maar moesten zij het niet doen, dan mocht men meteen de gsm en andere elektronica afschaffen. Want er zit in meer zilver dan men denkt. Iets om over na te denken.

Van Potosi ging het naar de zoutvlakte van Uyuni. Deze grootste ter wereld in zijn soort was net op dat moment ondergelopen met regenwater. Mits een windloze dag wordt dit dan de grootste spiegel op het aardoppervlak. De omvang van dit gebied is ronduit niet te vatten. Jammer genoeg was het fietsen over deze Salar naar een eilandje er middenin niet mogelijk. Waardoor het een daguitstap naar de rand werd. Het stadje Uyuni zelf is een grote toeristenplek waar meer dan tachtig touroperators hun diensten aanbieden voor een meerdaagse toertocht per 4×4 door het gebied. Water of geen water. Liesbeth boekte samen met twee vriendinnen zo’n tocht. Ik had meer zin om aan de fietstrip door argentinie te beginnen. Hier scheidden dus onze wegen. Vanaf nu zou ik een stuk solo gebieden doorkruisen. Nieuwe ervaringen wachtten me op.

Published in: on February 8, 2011 at 6:11 pm  Leave a Comment  

Een groentje op een fiets

De volgende twee dagen waren van een heel ander kaliber. De constante waren nu niet meer de kasseien, maar de loodzware zon. Op de weg naar Aiquille waren heel wat wegwerkzaamheden aan de gang en af en toe was het mond en ogen dicht voor de stofwolken die de mastodonten van vrachtwagens produceerden. Volgens mij wordt de hele route van Sucre naar Cochabamba, twee grootsteden, binnen de tien jaar mooi geasfalteerd en zal geen kassei het overleven. Het zou dus goed kunnen dat we momenteel over een uitzonderlijk stukje toekomstig vergaan verleden hebben gefietst. Onderweg kwamen zijn zowat alle populaire zoogdieren uit de streek de revue gepasseert: geiten, ezels, kippen, honden, zwijnen,… En allemaal lopen ze nonchalant los rond op de weg. De ene al wat goed geleumder dan de ander. Er volgde een heel lange afdaling naar de eindhalte van de dag Puente Ennogiets. Opnieuw een heel kleine nederzetting waar ze een toevallig wel een heel grote brug aan het bouwen waren. We aten er wat en even verder zetten we onze tenten op in een heel iddylisch plekje in de meander van een rivier. Toen het donker was verscheen een ongelofelijk hoeveelheid sterren aan de hemel. Niet meer dan in Belgie veronderstel ik. Alleen was de lichtpolutie hier wel nul komma nul. Impressionant.

In het ochtendgloren vertrokken we met een zeer licht ontbijt richting Sucre. Aangezien we heel dicht op zeeniveau zaten, zou het een stevige klim worden. Maar waar begon hij exact. Dat was de vraag van de dag. De zon deed opnieuw zijn duit in het zakje. Ik was duidelijk minder aangepast aan dit soort weer dan Liesbeth. Gelukkig vonden we enkele dorpen waar frisdranken te verkrijgen waren. Want de weg die de rivier volgde ging omhoog om dan opnieuw helemaal naar omlaag te gaan. En dit tientallen keren. Om gek van te worden. al die kliminspanningen voor niets. Want een kleine dertig kilometer voor het binnenrijden van Sucre kwam de klim buiten categorie aan de beurt. Hier kraakte ik volledig. Mede vanwege de lichte zonneslag, in de vorm van hoofdpijn, die ik had opgelopen. Veel schaduwplekjes waren er niet te vinden. Maar als er een te voorschijn kwam, verpoosde ik er langer dan eigenlijk mag in een beklimming. Zodanig was ik alle gevoel van temporijden kwijt. Bovendien was op een gedeelte de steiltegraad van de haarspelbochten moordend. Ik voelde me een echt groentje op een, welliswaar bepakt met veertig kilo, fiets. Hoe ik het klaargespeeld heb weet ik niet, maar uiteindelijk werd Sucre toch op de fiets bereikt. Ook al werd er opnieuw meermaals in de daar-is-het-einde-van-de-klim-val gefietst. Enkele kilometers voor Sucre kwamen een boerderijtje tegen die op een uitlopende heuvel uitkeek op de grootstad. Dit was volgens mij een ongelofelijke prachtige plek om te wonen. Overigens was de koloniale stad zelf ook wel een mooie haven om even te verpozen. Met ale gebouwen verplicht in het wit geschilderd en de mooie onderhouden straten en parken is dit niet voor niets UNESCO-werelderfgoed. Het deed deugd na een zware vierdaagse eens een dag niet op het fietszadel te zitten maar gewoon rond te struinen in de straten vol dynamiek van menselijke activiteit.

Published in: on February 8, 2011 at 5:34 pm  Leave a Comment  

Kinderkoppensnellerij

Toen met bepakte fiets vanuit Cochabamba werd vertrokken ging alles onverwacht, met de weinig trainingskilometers in sneeuwbevallig België, redelijk vlot. De eerste vijftig kilometer waren over asfalt. Perfect voer voor de marathon banden. Iets voor Arani was het regelmatig laveren tussen grotere brokken steen vanwege wegenwerken. Plots hoorde ik een klap. Toen ik achteruit keek zag ik Liesbeth op een zandhoop liggen verstrengeld in de kader van haar fiets. Blijkbaar had ze recht op zo’n steen gereden. Na haar uit die benarde situatie bevrijd te hebben en te constateren dat buiten een paar kleine vleeswondjes op het been alles heel was gebleven, vervolgden we onze weg. Na de middag vatten we vanaf Arani aan met een beklimming die ons tot de avond in zijn greep zou houden. Niet in het minst omdat de hele weg belegd was met kasseistenen. Al is kassei een mooi woord voor het soort steen we voorgeschoteld kregen. De stenen leken naar grote willekeur, de ene op zijn buik de ander op zijn kop, gelegd met tussenruimten van soms wel tien centimeter. Hier kwam mijn voorvering meer dan van pas. Ik kreeg alleen wel wat spijt dat ik op dat moment geen bredere semi-mountainbikeband op El libertador had geinstaleerd. Het achterwiel bood niet continu de grip die ik nodig had. De klim zou om en bij de twintig kilometer duren. En onderweg zou Liesbeth tweemaal een lekke band moeten herstellen.

Bij valavond kwamen we in een klein dorp terecht dat niet op de kaart vermeld stond. Hier was men duidelijk niet gewoon aan vreemd uitziende reizigers. We zagen een schoolgebouw en kregen het idee om daar te proberen overnachten. Na wat gepallaver met de sleutelbeheerder, bleek dit niet mogelijk te zijn. We reden dan maar naar het mooiste huis in het dorp waar we verwachtten een persoon van belang, zoals een burgemeester, te ontmoeten. Dit was niet het geval. Het bleek het oude schoolgebouw te zijn. Enkele ruiten waren ingeslagen en Liesbeth wou al naar binnen kruipen, maar ik vond dit toch niet zo’n best idee. Aangezien alle dorpsbewoners van Rodeo ondertussen van onze aanwezigheid wisten en we zouden beschuldigd kunnen worden van inbraak. Even later kwamen twee jonge kerels naar ons toe en openden ze een deur van een klaslokaal voor ons. Hier was duidelijk al zeer lang geen les meer gegeven. We schoven wat oude schoolbanken tegen elkaar en instaleerden onze slaapspullen. Blijkbaar hadden we er ook een muisje als huisdier bij gekregen. Een aparte setting om te overnachten. Dat was het zeker en vast.

Het had goed geregend die nacht, maar toen het ochtend werd groette de zon ons goedemorgen. We vervolgden het kinderkoppenfestival en bleven gestaag klimmen en dalen. Hier ergens te midden van deze groene velden en lemen huizen vloekte ik voor het eerst op die duivelse stenen. Af en toe kon gebruik worden gemaakt van de handige, maar smalle, betonnen rand. Maar als het steviger bergop ging lag de snelheid zou laag dat op een lijn rijden en het evenwicht bewaren onmogelijk was. Ik dook in mijn poncho omdat het nu ook stevig begon te regenen. Afdalen bleek nu ook een helse opdracht van pure concentratie. de wielen versprongen continu van spoor. Dit kon, met al dat gewicht op de bagagedrager, niet gezond zijn voor het achterwiel. In de namiddag kregen we ook nog een modderstrook tijdens een zoveelste beklimming voorgeschoteld. El Libertador patineerde nu bij de minste krachtinspanning op de pedalen. De laatste twee uur kwam de zon gelukkig opnieuw te voorschijn en konden we genieten van een afdaling over mooi grind naar Mizque. Daar vonden we een kamer met zes bedden voor de prijs van 2 EUR. Goedkoper hebben we nergens meer gevonden. Hier, na negentig kilometer ‘kinderkoppensnellerij’, genoten we eens te meer van een stevige portie kip met rijst en gefrituurde aardappelen. Ook al blijven het mooie parcours, de Ronde van Vlaanderen en Parijs-Roubaix zijn voor mij vanaf heden wel een beetje van hun harde kasseiklassiekersstatus kwijt. Ik zou die Flandriens van weleer graag eens hier op deze plek in Bolivie zwoegend naar de eindmeet zien ‘stoempen’. Spektakel verzekerd.

Published in: on February 8, 2011 at 4:45 pm  Leave a Comment  

Op en heel veel af

Dan maar een tweede keer langs dezelfde bijtklare honden razen. Ik had er niet veel zin in. Maar het was van moeten. Een koude wind blies alleen maar dreigende wolken vanuit de Yungas in mijn rug. Om hier nu door af te dalen naar Coroico moest men wel heel veel goesting hebben. Hoe aantrekkelijk die ‘downhill’ ook mocht zijn.

Ik wachtte op een vrachtwagen of bus die de helling op kroop om zodanig in hun zog die lelijke witterd af te leiden. Maar er kwam niets. Dan maar het erop wagen. Het voordeel met de eerste keer net voor de top, toen mijn hart en benen het stevig op een sprintje namen, was dat ik nu wist waaraan ik me mocht verwachten. Op het grootste verzet trok ik me op gang, inschattend dat de topsnelheid net bij het dolle beest zou gehaald worden. Het lukte, maar het scheelde geen beenhaar. Hopelijk kom ik zulke razende mormels niet vaak meer tegen. Hondenvriendschap heeft zo zijn grenzen.

De beklimming van La Paz (3600hm) naar Paso La Cumbre (4650hm) was overigens vlot, zonder hoogteziek te worden, afgehaspeld. Ondanks dat ik de eerste drie kwartier, zolang duurt het alvorens je het noordelijk deel van de stad uit bent, waanzinnig veel uitlaatgassen heb ingeademd mocht de eerste testrit een succes genoemd worden. Ook al omdat de eerste grazende lama’s mijn pad kruisten. Diezelfde avond reed Cristian me met zijn Vespa naar het zuidelijkste deel van de stad. En om de avond nog italiaanser af te sluiten veroberden we samen met Luisa in de Maanvallei een heerlijke pizza. Als er iets is dat je overal ter wereld vind dan is het wel pizza. En Coca Cola natuurlijk.

Woensdag kwam Liesbeth dan aan in la Paz. Ze heeft de voorbije twee maanden doorheen Ecuador en Peru gefietst. Het plan is om Bolivië en een deel van Argentinië samen te reizen. Voor donderdag boekten we via een agentschap de beruchte afdaling van La Cumbre naar Yolossa. Een hoogteverschil van maar liefst 3500 meter. En dit langs een weg, of zeg eerder steenpad, dat bekend staat als de World’s Most Dangerous Road. Deze titel werd verkregen nadat talrijke voertuigen in het verleden van de weg afraakten en 400 meter lager belanden. Vaak bij het kruisen van een tegenligger. Zo gezegd zo gedaan. Donderdag kreeg iedereen van de groep, een twintigtal, een speciale afdaalfiets, met zware vering en stevige remmen, ter beschikking. Met de goedkopere hardtail en mechanische, in plaats van hydraulische, remmen lieten we ons naar beneden vallen.

De gids vooraan ging, tot mijn groot jolijt, heel vlot vooruit. Menig keer ging het achterwiel op de grote losse stenen onderuit, en was gepast corrigeren in een fractie van een seconde de boodschap. Het was een zeer zonnige dag. En omdat het het regenseizoen is waren er verschillende watervallen waardoor we heen moesten. Onderweg kreeg ik ook nog een lekke band, moest ik wachten op een pomp, en kon de achtervolging beginnen. Echt geweldig. 

Gisteren werden de fietsen in de bus gesmeten om acht uur later in Cochabamba te eindigen. Van hier begint het echte bepakt reizen per fiets. Maar eerst bezocht ik nog Hanne. Ze besteed haar tijd hier reeds enkele maanden aan vrijwilligerswerk met straatkinderen. Amenecer heet de organisatie en ze leveren hier echt prachtig werk. Te weten dat enkele jongeren uiteindelijk een betere toekomst in de volwassenwereld voor zichzelf zullen creëeren is iets moois om energie in te steken. Vanaf zondag wordt er in vier dagen naar Sucre gefietst. Ik kan haast niet wachten.

Tot in den draai

Bert

Published in: on January 22, 2011 at 10:37 pm  Leave a Comment  

Op de hoogte

En toen wurmde ik me door de zondagsmarkt van El Alto. Een boerengehucht dat in twintig jaar is uitgegroeid tot een even grote stad qua bevolkingsaantal als La Paz. Maar liefst 800.000 mensen, stelselmatig het platteland ontvlucht op zoek naar wat meer geluk. Met de nadruk op wat.

Deze twee mierenhopen zijn eigenlijk samengegroeid, maar toch wilt men in El Alto niets van een gemeenschappelijke La Paz-noemer weten. In El Alto zijn er immers geen regels, of ten minste de meeste regels worden door niemand nageleefd en geen haan die er naar kraait. Wat dus ook de criminaliteitscijfers niet ten goede komt. Zoals de naam zelf aangeeft is deze nieuwe stad vierhonderd meter hoger gelegen dan La Paz, dat zelf reeds op 3600 meter hoogte ligt. Hier is er het tegenovergestelde fenomeen als in de meeste Europese grootsteden waarneembaar. Hoe hoger men woont of werkt hoe armer het eraan toegaat. De hoogbouw, overheidsinstellingen en multinationals zeg maar, bevindt zich in het laagste gedeelte van La Paz.

Daar ergens tussen deze reuzen slaap ik momenteel in een leegstaand pand samen met een Japanner die in al meer dan anderhalf jaar tijd een groot stuk planeet op zijn motor heeft verkent. In dit huis waar gerust met tien man kan worden ‘gepit’, staat enkel een douche, met nota bene warm water, en een gasvuurtje. Wat heeft een mens nog meer nodig als hij zelf een zacht matraske en een, tot nog toe, frisse slaapzak bij heeft? We zijn hier beide verzeilt geraakt via Cristian. Dit is een fervent fietser die hier samen met Luisa een bike cafe heeft geopend. Geef toe, waar kon ik deze trip beter starten dan bij deze gastvrije mensen. Hier doe ik de nodige informatie en krachten (voornamelijk resistentiekrachten tegen hoogteziekte) op om het eerste deel van de reis op een degelijke manier door te komen.

In El Alto, de hoogste internationale luchthaven ter wereld wat zo zijn extra vereisten vergt bij opstijgen en neerdalen, was ik gisteren na een afmattende reis van zeventwintig uur geland. Ik was de laatste die langs de douane moest passeren, en alle bagage buiten de mijne was dus reeds weg. Mijn geluk kon niet op toen ik zowel mijn trekkerszak als bike-in-the-box naast de band zag staan. Toen deze ‘gringo’ zich als rechtmatige eigenaar had geïdentificeerd waren als snel twee mannen er als de bijen bij. Mijn box had meteen pootjes gekregen. Even verder kon ik duidelijk maken dat dit een vriendelijk gebaar was, maar dat ik nog totaal geen nectar op zak had. Daar moest ik eerst een exchange office voor vinden. Maar verder stappen kon ik alleen ook niet met zo’n onhandige doos.

Er zat niks anders op dan de fiets daar te monteren. En bekijks had ik. In nog geen kwartier waren drie man komen vragen wat mijn plannen waren en hoeveel die fiets kostte. Vooral die laaste vraag baarde me zorgen. Ik deed maar alsof ik ze niet verstond, wat deels ook zo is. Maar het blijft een vervelende situatie zoveel mensen die op je handen zitten te kijken terwijl je zit te worstelen met de bouten van de bagagedrager die hevig tegenwerkten. Net op het moment dat mijn fiets er gemonteerd staat wordt ik aangesproken in deftig engels. Het was een boliviaan met een kind op zijn arm die stond te wachten op een vlucht. Toen hij hoorde dat ik nog van plan was, ondertussen was het reeds valavond, de tien kilometer naar La Paz te fietsen, gaf hij me toch maar het advies mee de fiets en al de rest in een taxi te proppen. El Alto staat, zoals reeds boven beschreven maar dat wist ik toen nog niet, niet echt als veilig aangeschreven. Uiteindelijk ben ik dan toch met een betrouwbare taxibestuurder veilig vanuit de luchthaven tot aan het adres van Cristian geraakt. En aan een eerlijke prijs. Stel je dat voor. Gewoon veel geluk gehad zeker.

Nooit geacht dat ik vandaag dan toch nog eens in El Alto zou belanden, met een Gilber, fijne kerel van La Paz, die me door een van de grootste markten van zuid-amerika wou gidsen. En misschien kan hij wel gelijk hebben, want hier loop je als buitenlander binnen de korste keren in verloren. Autobanden, puppies, houten bedden, cactussen, plastic turntoestellen, kippenhoofden,… noem het op en iemand verkoopt het hier wel. En in massa. Veel andere gringo’s ben ik hier niet tegengekomen. Tja, het staat dan ook niet in de heilige Lonely Planet.

Morgen blijf ik nog een extra dag in La Paz. Want het lichaam kan nog wat acclimatisatie gebruiken en de fiets heeft bij het transport in de doos enig averij opgelopen. Morgen wordt het probleem, ik kan de achterste versnellingen niet gebruiken, hopelijk opgelost.

Hasta proxima

Bert

Published in: on January 16, 2011 at 11:42 pm  Comments (3)  

Klaar om op te stijgen – Ready for take-off

Vrijdag om 19:00 gaan de wielen in Brussel van de grond om via overstappen in Madrid en Lima uiteindelijk zaterdag om 17:00 plaatselijke tijd, wat zoveel betekent als vijf uur tijdwinst ten opzichte van België, te landen in La Paz. Dit is de hoofdstad van Bolivië, vanwaar de fietstrektocht doorheen de Andes zal worden aangevat. Hopelijk overleeft mijn, volledig uit elkaar gehaalde, fiets de vlucht en acclimatiseer ik snel aan de hoogte. Tot binnenkort!

Published in: on January 14, 2011 at 12:27 am  Comments (1)